Nl En print deze pagina
Tekst 27ste Abel Herzberglezing door Arnon Grunberg

Tekst 27ste Abel Herzberglezing door Arnon Grunberg

1)
Op 25 augustus jongstleden stelde Nicholas Kristof, columnist voor The New York Times, dat vandaag, tot onze schaamte, Anne Frank een Syrisch meisje is. Kristof refereerde in zijn column aan een brief van Otto Frank, die pas onlangs is opgedoken, waarin Frank op 30 april 1941 aan een Amerikaanse vriend schreef dat Amerika het enige land was waar de familie Frank heen kon. Hij voegde eraan toe dat het hem voornamelijk om de kinderen te doen was.
Zelf mag je kennelijk in noodgevallen ten onder gaan, zolang de kinderen maar voortleven. Alsof het leven van de mens na zijn voortplanting een luxe is waarvan men, als het echt niet anders gaat, ook wel kan afzien.
Maar Amerika onder Roosevelt, zoals Kristof wellicht ten overvloede betoogt, vreesde Joodse vluchtelingen. Ze zouden communisten zijn of stiekem toch nazi’s, voor zover het om Duitse Joden ging althans, ze zouden banen van Amerikanen afpakken. Zulke opmerkingen gaan doorgaans gepaard met de adjectieven ‘eerlijk’ en ‘hardwerkend’, iets wat vluchtelingen kennelijk per definitie niet zijn. Toen niet en nog steeds niet. Aan de vluchteling kleeft toch altijd het stigma dat hij het er zelf wel naar gemaakt zal hebben, anders had hij immers niet hoeven vluchten. Eerlijke en hardwerkende mensen hoeven nooit te vluchten en alleen al de gedachte dat ze dat wel zouden moeten doen komt hun, dankzij hun eerlijkheid en hun arbeidsethos uiteraard, onvoorstelbaar voor.
Europa moest maar voor zichzelf zorgen, zei de Amerikaanse senator, Robert Reynolds, een Democraat uit North Carolina, in die tijd.
De opvatting dat Europa maar voor zichzelf moest zorgen had mijn moeder aan den lijve ervaren, samen met haar ouders, enkele familieleden en nog zo’n 900 Joodse opvarenden van de St. Louis. Het schip lag in de haven van Havanna, we hebben het over de zomer van 1939, maar Cuba had op het laatste moment besloten de Joodse vluchtelingen niet toe te laten. Alleen enkele Joden die zich hadden bekeerd tot het christendom mochten Cuba binnen. Ook wat dat betreft is er niet zoveel veranderd. Hebben wij niet politici in enkele Oost-Europese landen horen zeggen dat ze best wel vluchtelingen willen opnemen, mits het maar christenen zijn? En de voorman van onze eigen PVV stelt zoals bekend dat immigratie uit islamitische landen stop moet worden gezet, maar christenen zijn welkom. Joden tegenwoordig ook. Dat zal er ongetwijfeld mee te maken hebben dat de Joden nu een eigen land hebben waardoor ze minder afhankelijk hoeven te zijn van de grillen van weldoeners. Ze zijn heden ten dage welkom, omdat ze geen vluchtelingen meer zijn.
Het ageren tegen vluchtelingen en andere vreemdelingen blijft een probaat middel om een aanzienlijk deel van het electoraat mee te mobiliseren. Ook daarin is dus niets veranderd.
Ongetwijfeld mede dankzij senatoren als Robert Reynolds besloten de Verenigde Staten in 1939 eveneens de grenzen gesloten te houden voor de gestrande Joden op de St. Louis, zodat het schip noodgedwongen koers zette terug naar Europa. Reise der Verdammten is de titel van een film uit 1976 over deze bootreis, wat de onderneming goed samenvat. Misschien is vluchten, welke reden daaraan ook ten grondslag ligt, hoe dan ook iets voor verdoemden.
In haar boek Zolang er nog tranen zijn schrijft mijn moeder dat de passagiers voor eventualiteiten van tevoren al hadden moeten betalen voor zowel de heen- als de terugreis.
Eventualiteiten. Alsof de rederij al had voorzien dat het mis kon gaan daar op Cuba.
Ik kan me voorstellen dat hedendaagse mensensmokkelaars vanwege eventualiteiten ook alvast een rekening voor de terugreis indienen. Of zou dat de illusie van de goede afloop te veel in twijfel trekken? Overigens waren de opvarenden van de St. Louis niet in handen gevallen van mensensmokkelaars, veeleer in handen van een Cubaanse president, die aan wispelturigheid leed of, zou je ook kunnen zeggen, die deed wat hij dacht dat goed was voor hem en zijn land. De natiestaat stelt zich soms op als een mensensmokkelaar pur sang, maar dan legaal, daar is de staat nu eenmaal staat voor.
Een journalist van Die Zeit die het boek van mijn moeder had gelezen refereerde deze zomer tijdens een vraaggesprek aan de St. Louis en merkte enigszins besmuikt op dat hem dat toch wel erg aan hedendaagse bootvluchtelingen deed denken. Mocht dat, wilde hij weten.
Het mag, antwoordde ik, al heb ik gelukkig niet het laatste woord over de vraag welke historische parallellen, welke metaforen zijn toegestaan en welke verboden zouden moeten worden.
Vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog zijn echter heikel, dat was goed te merken aan de reacties die Nicholas Kristof kreeg. Niet alleen omdat door veelvuldige vergelijkingen met personen en gebeurtenissen uit het Derde Rijk een zekere inflatie is ontstaan – wie zijn er niet allemaal met Hitler vergeleken? – maar vooral omdat men er genoeg van lijkt te hebben met die oorlog om de oren te worden geslagen. Het woord Godwin zegt in dit verband voldoende. En hoewel, nogmaals, lang niet elke referentie aan die oorlog zinvol is, lijkt mij een verbod om welke actuele situatie dan ook te vergelijken met Het Derde Rijk en de genocide die in naam van dat Rijk is uitgevoerd een vorm van geschiedontkenning.
Waarom willen sommige mensen af van de oorlog als van een gast die een paar dagen zou komen logeren en er na drie weken nog steeds is? Of beter gezegd: waarom mag de herinnering aan die oorlog alleen tot instrument worden gemaakt ten behoeve van de eigen ideologie? De vermeende vijand mag namelijk wel NSB’er of landverrader worden genoemd, maar het wijzen op overeenkomsten tussen vluchtelingen toen en vluchtelingen nu wekt onbehagen en ergernis, om niet te zeggen woede.
Hoewel de personen die het Derde Rijk tot bloei hebben gebracht allang overleden of hoogbejaard zijn, drukt de herinnering aan de oorlog nog altijd op het Europese of misschien wel Westerse geweten en ik vermoed dat precies dat de reden is dat vergelijkingen tussen toen en nu sommigen niet welkom zijn. Zij die heden ten dage geloven, nee ervan overtuigd zijn dat de vreemdeling de barbaar is, ongeveer zoals Jehova’s Getuigen ervan overtuigd zijn dat het Koninkrijk Gods zal komen, wensen niet te weten dat de barbaar en het barbaarse gedrag in Europa niet van buiten maar van binnen kwam. ‘De heiden,’ noemt Abel Herzberg de barbaar in zijn werk. ‘Wij hebben de heiden ontmoet en wij zullen hem weer ontmoeten.’
Voor velen, laten we zeggen voor hen die zichzelf beschouwen als eerlijk en hardwerkend, was Europa maagdelijk en zondenvrij. Nergens een heiden te bekennen, tot de vreemdeling kwam. Nou ja, misschien waren de middeleeuwen niet geheel maagdelijk en zondenvrij, maar moeten we het daar nu nog over hebben? En ook de middeleeuwen, de naam zegt het al, worden vooral ingezet als een gemythologiseerd verleden dat moet benadrukken hoe verlicht Europa nadien wel niet is geworden. Ja, het verleden is tegelijkertijd instrument en mythe – die twee gaan hand in hand – daarom is werkelijk bestudering en kennis van dat verleden een hindernis, een onaangenaam en nutteloos, ja zelfs akelig tijdverdrijf, althans voor hen die wensen te geloven in de maagdelijke staat van Europa, voor hen die veinzen dat antisemitisme en homohaat niet bestonden tot de moslims aanspoelden op de Europese stranden. Een opvatting waarvoor het woord ‘gotspe’ een eufemisme is.
Ook Mark Rutte – een historicus die toevallig premier is geworden, of niet zo toevallig; in een democratie krijgt het volk doorgaans de politici die het verdient – sprak in het televisieprogramma Zomergasten nadrukkelijk over de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging maar slechts als een collectieve herinnering, een zwarte bladzijde, waaruit een fantastisch land was voortgekomen. De zwarte bladzijde was het stof waaruit de eenheid moest worden gecreëerd, met de Jodenvervolging had Nederland helemaal niets te maken.
Ja, als de maagdelijke status van heel Europa niet kan worden volgehouden, dan moet op zijn minst de maagdelijke status van de eigen natiestaat worden benadrukt? Om die reden weigerde Rutte ook als het ging om het slavernijverleden of om de politionele acties van enige schuld te spreken. Schuld hebben de anderen, eerlijke en hardwerkende Nederlanders zijn per definitie onschuldig.
Zoals bepaalde gelovigen zich hun God niet willen laten afpakken, zo wil de lijder aan hardnekkige nostalgie die meent dat alles goed was in Europa tot de vreemdeling kwam zich zijn mythes niet laten afpakken. Het verschil is dat over God geen of nauwelijks feiten bekend zijn maar dat over het verleden wel degelijk feiten zijn te verzamelen. Wij weten dat de opvarenden van de St. Louis in verband met eventualiteiten voor zowel de heen- als de terugreis moesten betalen, zoals wij weten dat de afgelopen jaren tienduizenden vluchtelingen in de Middellandse Zee zijn verdronken.
Ach, misschien moeten wij die verdrinkingsdood ook als een terugreis zien, als een eventualiteit, waarvoor de vluchteling uiteraard bij voorbaat diende te betalen.
Het kan niet genoeg worden benadrukt: eerlijke en hardwerkende mensen verdrinken niet in de Middellandse Zee, zij gaan er hooguit in zwemmen of pootje baden. Oneerlijk en lui, zo is de ander, de vreemdeling.
Over geschiedenis gesproken, komt die typering ons niet bekend voor? Is de Jood niet van oudsher ervan beschuldigd oneerlijk te zijn? En lui natuurlijk. Omdat hij het land niet bewerkte en het vechten overliet aan mensen die de dood minder vreesden dan hij. Dat hij tegelijkertijd naar werelddominantie streefde, zoals de moslim nu naar werelddominantie streeft, was wat de antisemiet betreft geen paradox. De parasiet, de Jood, was door en door lui en kende toch slechts één doel: werelddominantie.
De oprichting van de staat Israël heeft gepoogd aan die vooroordelen een eind te maken, maar in praktijk zijn er veelal nieuwe vooroordelen voor in de plaats gekomen; het vooroordeel is zoveel sneller en hardnekkiger dan degene op wie het wordt geplakt.
Heeft Kristof dus gelijk, is een Syrisch meisje de Anne Frank van onze tijd? En wat betekent dat precies, om een Anne Frank te zijn van onze tijd?
Voor die vraag kan worden beantwoord moet worden vastgesteld dat bezwaren tegen de metafoor van Kristof niet alleen komen van hen die hun geweten wensen te ontzien, maar ook van hen die zich op het standpunt stellen dat de situatie van de Joden in de tijd van het Derde Rijk zo uniek was dat niemand vandaag de dag met hen mag worden vergeleken. Zo schrijft Abraham H. Miller, een politicoloog verbonden aan de Universiteit van Cincinnati, in The Observer dat in tegenstelling tot de Joden toen Syrische vluchtelingen nu advocaten hebben ‘in de hoogste regio’s van Westerse regeringen en de Europese Unie.’ Miller voegt daaraan toe dat Joodse vluchtelingen ‘geen explosie aan verkrachtingen en seksueel geweld’ veroorzaakten, zoals islamitische vluchtelingen dat wel zouden doen in Zweden en Duitsland. Dit is niet de plek om na te gaan in hoeverre vreemdelingen, islamitische vluchtelingen, Noord-Afrikanen, oververtegenwoordigd zijn in zedenmisdrijven. In een aantal landen is onderzoek naar etniciteit van misdadigers hoe dan ook onwettelijk.
Ik wil volstaan met de vraag: moeten wij alleen vrouwen en kinderen toelaten? Of van de kinderen alleen de meisjes, omdat jongens voor je het weet mannen zijn en dus onvermijdelijk, gezien hun afkomst, verkrachters en aanranders? Zullen wij mannen en jongens preventief laten verdrinken? Of bestaat er de kans dat het akelige virus dat bepaalde mannen kennelijk tot verkrachter maakt ook aan vrouwen wordt doorgegeven?
Aha, de vreemdeling en seksualiteit. Hitler schreef in Mein Kampf onder andere dat de Weense seksindustrie in Joodse handen was. Ik citeer uit het hoofdstuk ‘Ik word antisemiet’: ‘Het aandeel van het Jodendom in de prostitutie en meer nog in den handel in jonge meisjes zelf, kan men in Wenen beter bestuderen dan in eenig andere West-Europeesche stad, afgezien misschien van Zuid-Fransche havensteden.’ Einde citaat.
De Joodse man als een door lust (en geldzucht) voortgedreven wezen is een antisemitisch stereotype bij uitstek. Eerlijk is eerlijk, Hitler als kunstliefhebber maakte zich vooral zorgen over de verderfelijke invloed van de Jood in de kunsten, ik citeer: ‘Bestaat er eigenlijk wel ergens iets vuils, een schaamteloosheid, in welken vorm ook, vooral op cultureel gebied, waaraan niet minstens één Jood had meegewerkt?’ Einde citaat.
Toch werd in 1935 het Derde Rijk voor de zekerheid het ‘Blutschutzgesetz’ van kracht, dat seksuele betrekkingen tussen Joden en Ariërs verbood. Vermenging van rassen of wat voor rassen wordt aangezien is de nachtmerrie van eenieder die de superioriteit van de eigen soort wil waarborgen; de eigen soort dient zuiver te blijven.
Gerard Reve schreef in een gedicht over de angst dat onze ‘roomblanke dochters’ onteerd zouden worden. Hij had het in 1974 over Surinamers, die toen nog door velen ‘negers’ werden genoemd.
De angst voor de vreemdeling, met name de mannelijke vreemdeling is altijd ook seksuele angst. Er is weinig verbeelding voor nodig en zelfs niet een freudiaans wereldbeeld om in die angst ook ternauwernood onderdrukte verlangens te zien.
Julius Streicher, uitgever en oprichter van het nazi-orgaan Der Stürmer, beleefde er meer nog dan Hitler zelf genoegen aan de Joodse man voor te stellen als verkrachter en veroorzaker van seksueel geweld. Tegen Arische vrouwen wel te verstaan, we zouden ze natuurlijk ook ‘roomblanke dochters’ kunnen noemen.
Kortom, de Jood was een door en door geperverteerd wezen, wat tot uiting kwam in zijn seksuele praktijken. Het was naar het schijnt de rest van de nazitop die deze seksueel getinte antisemitische propaganda wat ouderwets en weinig effectief vond en graag wilde overstappen op verfijndere methoden, zeg maar wetenschappelijke methoden van antisemitische propaganda.
Vermoedelijk overbodig op te merken dat er altijd wel een paar feiten zijn die de propaganda kunnen ondersteunen. Toen en nu. De voormalige Israëlische president Katzav, om maar een voorbeeld te noemen, zit in de gevangenis wegens verkrachting.
Is Anne Frank het symbool voor de goedhartigheid van haar Nederlandse helpers en daarmee de goedhartigheid van alle Nederlanders? Ook een mythe uiteraard.
Of is zij slechts het al te menselijke symbool voor alle vermoorde Joden? Nu is Anne Frank als icoon van de Jodenvervolging, het is eerder opgemerkt, een niet heel representatief icoon. De meeste vermoorde Joden vonden helemaal geen onderduikadres en de meeste vermoorde Joden kwamen niet in een Vorzugslager terecht, te weten Bergen-Belsen.
Ik citeer Abel Herzberg in Amor fati: ‘Bergen-Belsen was in de terminologie der nazi’s – tenminste voor zover het onderhavige deel betreft – geen eigenlijk concentratiekamp. Het was aanvankelijk aan Austauschlager, dat wil zeggen dat al die elementen van wie te verwachten viel dat zij tegen Rijksduitsers in het buitenland konden worden uitgewisseld daar geconcentreerd werden.’
Mijn moeder, die zelf nooit in Bergen-Belsen is beland, maar wel enkele vriendinnen en kennissen had uit Westerbork die daarheen waren gestuurd, sprak met regelmaat over het goede en het slechte Bergen-Belsen, ongeveer zoals mensen in Hilversum spreken over de goede en de slechte kant van het spoor. Zij sprak met nauw verholen minachting over hen die in het goede Bergen-Belsen hadden gezeten. Ze hadden daar, volgens haar, niets meegemaakt. Waaruit blijkt dat de menselijke neiging tot competitie zich niet alleen beperkt tot sport, liefde, werk en kunst maar juist ook tot lijden. Er zijn slachtoffers die meer slachtoffer zijn dan andere slachtoffers, die écht iets hebben meegemaakt.
We hoeven daar niet moralistisch over te doen. Men weet zich geen raad met het eigen lijden en met dat van anderen, daarom moet het worden gecategoriseerd en daar begint de competitie al.
Ook genocide ontkomt dus niet aan die neiging tot vergelijking en wedijver. Het goede Bergen-Belsen. Een eufemisme, want wat betekent ‘goed’ in de context van het concentratiekamp?
En maakt het werkelijk uit waar je crepeert, of dat nu in het goede Bergen-Belsen is of in Babi Jar? Babi Jar is een kloof nabij Kiev, waar in 1941 circa 33.000 Joden zijn omgebracht. Met de hand; voor de vernietiging industrieel werd, kwam het voor een groot gedeelte aan op handwerk, dat in Oost-Europa werd uitgevoerd.
Is het veelzeggend dat Anne Frank in Bergen-Belsen crepeerde en niet in Babi-Jar? Ja, misschien kon en kan de niet-Jood zich eerder met Anne Frank, dochter van betrekkelijk geassimileerde Duitse Joden uit de middenklasse, identificeren dan met de zogeheten Ostjuden, die niet alleen veel minder geassimileerd waren maar vaak ook nog straatarm, dikwijls afwijkende kleding droegen en bovendien een taal spraken die exclusief door Joden werd gesproken, en ook nog eens een apart soort Joden, veelal de proletarische en nauwelijks geassimileerde Joden: het Jiddisch.
Nee, over een Ostjude als icoon van de vernietiging van de Europese Joden zou de eerlijke en hardwerkelijke autochtoon misschien hebben opgemerkt: ‘Maar hij heeft het er zelf ook wel een beetje naar gemaakt.’
Niet voor niets hechtte mijn moeder er tot de laatste maanden van haar leven aan te onderstrepen dat zij geen Ostjude was, dat ze uit een Berlijns gezin kwam waar geen Jiddisch maar Hochdeutsch werd gesproken en dat haar familie al generaties in Duitsland woonde. Overleven is een kwestie van geluk, maar sommige eventualiteiten maken het net iets makkelijker dat geluk af te dwingen. Dat had mijn moeder begrepen.
Kristofs metafoor zal ons vermoedelijk niet zo heel veel inzicht verschaffen, niet in het verleden en niet in de oorlog in Syrië, voor werkelijk inzicht is de symboliek van de metafoor al te symbolisch, zij wil veeleer ons geweten prikkelen. Misschien meer dan prikkelen, zij stelt feitelijk dat wij onze minder aangename eigenschappen niet hebben overwonnen, dat wij alle herdenkingen, getuigenissen en metaforen ten spijt weinig, misschien wel niets hebben geleerd. Waaraan ik meteen toevoeg dat de geschiedenis, hoe graag we dat ook zouden willen, in de praktijk geen lessen leert. Veelal getuigt de opvatting dat wij zouden moeten leren van de geschiedenis, en dan met name van de barbaarse uitspattingen ervan, van een naïef vooruitgangsgeloof. De god van de seculieren: vooruitgang.
Tegenwoordig laten wij mensen minder snel creperen dan zeventig jaar geleden, denken wij. Ons geweten is zo overbelast dat we hebben geleerd het te ontzien, eerlijk en hardwerkend als we zijn.

2)
Mijn moeder heeft mij herhaaldelijke malen verteld dat haar ouders, mijn grootouders dus, van plan waren een pension op Cuba te beginnen. Daarom hadden ze in Duitsland alvast bestek en serviesgoed aangeschaft, die ze ook bij zich hadden op de St. Louis.
Ik had de kleinzoon van Cubaanse hoteliers kunnen zijn. Of was ik het dan niet geweest? Het is aanlokkelijk mijn leven zo voor te stellen, al was het maar omdat deze voorstelling de fragiliteit van het noodlot en daarmee van de eigen identiteit benadrukt. Waarom zou je je vastklampen, waarom zou je onvoorwaardelijk geloven in iets wat zozeer bepaald is door de wispelturigheid van krachten die vele malen groter zijn dan het individu zelf? De identiteit zelf is een eventualiteit.
De gedachte dat wij onszelf hebben gecreëerd, zoals de ambachtsman met zijn handen de vaas uit klei heeft gemaakt is een vermoedelijk noodzakelijke illusie, maar ook de noodzakelijke illusies dienen kritisch bekeken te worden: er is weinig reden te geloven dat mensen veel meer zijn dan speelballen van het noodlot waaraan zij achteraf door middel van verhalen betekenis toekennen. Alsof zijzelf verantwoordelijk zijn voor het noodlot, wat tegenwoordig niet zozeer als teken van overmoed geldt, als wel van verantwoordelijkheidsgevoel. Men heeft het aan zichzelf te danken of te wijten, men is niemand iets verschuldigd, net zoals de vluchteling het uiteindelijk ook allemaal aan zichzelf te wijten heeft.
Ik stel me mijn moeder voor als dochter van Duits-Cubaanse hoteliers. Zou ze het hotel hebben voortgezet?
Wie zou mijn moeder zijn geweest zonder de kampen? Een andere vrouw, of precies dezelfde? Alle eigenaardigheden die amateurpsychologen en overigens ook professionele hulpverleners met graagte aan haar oorlogservaringen toeschreven, zaten misschien al in haar.
Amor fati, de aanhankelijkheid aan het levenslot, zo heten de zeven opstellen van Abel Herzberg over Bergen-Belsen. Op het eind van het laatste opstel schrijft hij: ‘Ik denk aan Bergen-Belsen en ik weet het: wij hebben de heiden ontmoet, en wij zullen hem weer ontmoeten. Wat blijft ons over? Amor fati.’
Is aanhankelijkheid iets anders dan berusting? Is aanhankelijkheid een vorm van liefde? Herzberg schrijft vervolgens over de brandstapels van de inquisitie, brandende synagoges en de hoeven van kozakkenpaarden. Met andere woorden, er is een traditie van vervolging. Het noodlot neemt vroeg of laat de gedaante aan van vervolging en er is geen reden aan te nemen dat jij de laatste vervolgde Jood zult zijn, of de laatste vervolgde mens. Ook onaangename, pijnlijke tradities zijn tradities.
Al op 24 maart 1933 had Herzberg in een essay in De Joodse Wachter, het tijdschrift van de Nederlandse Zionistenbond, geschreven: ‘Tegen het noodlot protesteert men niet. Daar is het nu eenmaal noodlot voor.’
Van de vervolgde wordt weinig meer verwacht dan dat hij overleeft, of sterft. Zijn vervolgers gokken op zijn dood, zelf zal hij gokken op het overleven. Vluchten is bij uitstek een strategie om te overleven, voor zover die vlucht nog mogelijk is uiteraard. Ik ben geneigd de vlucht wel degelijk als een, wellicht bescheiden protest tegen het noodlot te beschouwen.
Om de aanhankelijkheid aan het levenslot te begrijpen als totale berusting, daarvoor was Herzberg te veel zionist. En zeker in 1933 kon het zionisme geïnterpreteerd worden als protest tegen het noodlot.
Is aanvaarding van het levenslot aanvaarding van de onveranderlijkheid van de mens, een afwijzing van het vooruitgangsgeloof, een ontkenning van de altijd weer opduikende gedachte dat het paradijs op aarde gerealiseerd kan worden?
Met welke wispelturigheid van de goden de stervelingen ook te maken hebben, er is een constante, althans voor sommige van de stervelingen: de vervolging. Aan die constante moet je je overgeven, die moet je zelfs omarmen. Uiteindelijk biedt het besef niet de eerste en niet de laatste vervolgde te zijn troost, een weg uit de eenzaamheid.
Hoewel Herzberg niet moe wordt te benadrukken dat het Joodse volk uit meer bestaat dan vervolging, beseft hij dat vijandschap en vervolging assimilatie tegengaan. En toch lijkt dit besef hem ongemakkelijk te maken. Het volk overleeft niet ondanks de vervolging, maar juist dankzij. Is assimilatie zonder vervolging en vijandschap onvermijdelijk?
Iets wat Theodor Herzl, grondlegger van het zionisme, doorzag. Van hem is de kreet afkomstig die Herzberg diverse malen in zijn werk citeert, zij het lang niet altijd met instemming: ‘Der Feind macht uns zum Volke!’ De vijand maakt van ons een volk.
En wat voor het Joodse volk geldt vermoedelijk voor elk volk. Zonder externe vijand versplintert de cohesie. Zelfs zogenaamd positieve mythes als Blut und Boden kunnen niet standhouden zonder vijandbeelden. Ik betwijfel zelfs of religieus nationalisme zoals dat nu bijvoorbeeld voorkomt in Israël een lang leven is beschoren zonder vermeende of echte externe vijanden. De religieuze nationalisten in Israël koesteren vrijwel zonder uitzondering de gedachte dat de hele wereld tegen hen is. Ik zeg met nadruk ‘koesteren’ – deze gedachte lijkt hen namelijk eerder gerust te stellen dan dat ze worden verlamd door angst bij de voorstelling omringd te zijn door een in hun ogen vijandige wereld.
Als de vijand van ons een volk maakt, en ik spreek met nadruk over volkeren in het algemeen, dan is het niet een gebrek aan liefde dat ons eenzaam maakt, maar een gebrek aan vijanden en vijandschap. Het individu mag naar liefde snakken, de gemeenschap snakt naar een vijand.
Hannah Arendt was deze mentaliteit en de consequenties ervan vroeg op het spoor. Toen Ben-Gurion, de eerste premier van Israël, nog meende dat de waarlijk religieuze Joden in Israël vanzelf zouden uitsterven, ongeveer zoals planten en diersoorten uitsterven, voorvoelde zij al dat het reëel bestaande zionisme het Jodendom zou veranderen en dat de oprichting van de staat Israël niet het eind van vijandschap zou betekenen, zoals ooit door een groot deel van de zionisten was gehoopt.
In Het zionisme bij nader inzien, vier opstellen over het zionisme die Arendt tussen 1945 en 1950 schreef, merkt ze op: ‘Na tweeduizend jaar van “galoet-mentaliteit” is het joodse volk ineens opgehouden te geloven in overleving als ultieme waarde op zich en is in een paar jaar tijd overgestapt naar het tegenovergesteld extreme idee. Nu geloven joden in vechten tegen elke prijs en denken dat “ten onder gaan” een verstandige methode van politiek bedrijven is.’
De galoet-mentaliteit, ook wel genaamd getto-mentaliteit, is de mentaliteit van de diaspora; overleven is het doel. Men moet de middelen grijpen die dat doel behulpzaam kunnen zijn. Daar tegenover staat de Masada-mythe. In 66 na Christus begon de Joodse opstand tegen het Romeinse Rijk. In 73 na Christus was die opstand vrijwel geheel verslagen, alleen op de berg Masada nabij de Dode Zee hield een kleine groep opstandelingen, mannen, vrouwen en kinderen, stand. Uiteindelijk besloten zij liever zelfmoord te plegen dan zich over te geven aan de Romeinen. Dit alles is gedocumenteerd door Flavius Josephus en Masada is een belangrijke, symbolische rol gaan spelen in het Israëlische leger en in de Israëlische samenleving. Veel soldaten daar maken een verplichte pelgrimstocht naar Masada.
Liever waardig sterven dan onwaardig overleven, een opvatting waarmee Arendt grote moeite had. En zij had ook, nog veel meer dan Herzberg, moeite met Herzls idee dat het antisemitisme de Joden ervan weerhouden heeft geheel en al op te gaan in wat ik maar even zal noemen de autochtone Europese bevolking. Zij weigert te geloven dat de Jood, en daarmee ook het Joodse volk zelf, een uitvinding zou zijn van de antisemiet. Zij stelt dat de zionisten weliswaar de conclusie hadden getrokken dat ‘het joodse volk zonder antisemitisme in de landen van de diaspora niet overleefd zou hebben.’ Maar deze gedachte vindt Arendt terecht gevaarlijk en die leidde er volgens haar toe dat sommige zionisten in de antisemieten bondgenoten zagen. De zogenaamde ‘eerlijke antisemieten’ zouden het zionisme moeten toejuichen, omdat dat Europa uiteindelijk toch Judenrein zou maken.
Arendts andere bezwaar tegen het zionisme zoals het zich ontwikkelde was dat het in haar ogen een negentiende eeuws, romantisch relikwie was. Een combinatie van nationalisme en socialisme – voor een deel van de vroege zionisten was het zionisme ook een poging een klasseloos arbeidersparadijs in Palestina te stichten. Volgens Arendt had de Eerste Wereldoorlog nu juist bewezen dat de natiestaat, en vooral de kleine natiestaat, geen toekomst had, dat het bestaan van de natiestaat zelfs een gevaar was voor de soevereiniteit ervan.
Het zionisme was geboren uit de conclusie dat gastvrijheid niet bestond, althans niet voor de Europese Jood, dat de vlucht ergens moest eindigen, in een thuisland, bij voorkeur een thuisland in Palestina, al werd ook Madagascar nog even overwogen.
Curieus genoeg is het negentiende-eeuwse romantische relikwie van de natiestaat opgestaan uit het graf dat al voor hem was gedolven en waart het spook van het nationalisme weer lustig door Europa.
De neo-nationalisten menen dat een volk niet gelukkig kan zijn zonder natiestaat en dat het volk uiteindelijk iets is wat gedefinieerd wordt door afkomst, door bloed; het volk is historisch gezien verbonden aan een bepaalde plek op deze aarde en indringers zijn niet welkom.
Deze neo-nationalisten zijn een soort zionisten, zij het zonder de socialistische component. Zij wensen een nationaal tehuis voor zichzelf op te richten of beter gezegd te behouden. Daarom doen ze ook met graagte alsof zij, eerlijke en hardwerkende Nederlanders of eerlijke en hardwerkende Fransen, een vervolgde minderheid zijn. Nationalisme gaat altijd gepaard met het al dan niet op waarheid berustende idee dat de nationalist een slachtoffer is van verraderlijke krachten.
En zoals de vroege zionisten, deels uit oprechte naïviteit, waren vergeten dat er toch al wat Arabieren in Palestina woonden en sommige zionisten zich hebben schuldig gemaakt aan verdrijvingen en moordpartijen, zo willen de neo-nationalisten de Arabieren en Noord-Afrikanen uit hun natiestaten weren om eindelijk weer onder elkaar te zijn.
Ik wil benadrukken dat de Joden, anders dan hedendaagse autochtone Nederlanders of Fransen, een lange geschiedenis van vervolging achter de rug hadden, waar Herzberg aan het einde van Amor fati aan refereert. Sterker nog, als de Europeanen de Joden iets minder hartstochtelijk hadden gehaat en iets vaker naar het bordeel waren gegaan in plaats van weer een pogrom te organiseren, dan was het zionisme nooit tot stand gekomen.
Arendt merkt nog iets interessants op: dat het zionisme aanvankelijk een project was van geassimileerde Joodse intellectuelen die merkten dat er ondanks hun assimilatie geen plek was voor hen in Europa.
Zo schijnt mij het huidige neo-nationalisme ook een project van teleurgestelde en ontheemde intellectuelen, veelal teleurgestelde socialisten en andere idealisten, die merken dat zij minder gepriviligeerd zijn dan ze ooit dachten te zijn. Het nomadendom rukt op en dat maakt ook de intellectueel die zich vast wil klampen aan de eigen kerktoren angstig.
Het zionisme kwam zoals gezegd voort uit het besef dat de Jood vreemdeling zou blijven in Europa en dat voor de vreemdeling geen plaats was op dit continent, dat de vreemdeling altijd opnieuw verdreven, vervolgd en vermoord zou worden. Het huidige nationalisme komt voor uit de bezwerende gedachte dat het verloren paradijs in ere hersteld kan worden, dat de tijd kan worden stilgezet, dat veranderingen ongedaan kunnen worden gemaakt als de vreemdeling maar buiten de poorten blijft; een curieuze en niet ongevaarlijke vorm van nostalgie.
Het neo-nationalisme slaat echter Arendts waarschuwing dat de natiestaat de vijand van soevereiniteit is in de wind en het lijkt zich niet bewust te zijn van het feit dat elk nationalisme een vijand nodig heeft. Zo doet het nieuwe nationalisme alsof de gast de gastheer tot vijand heeft gekozen, terwijl het eerder omgekeerd is: de gastheer heeft de gast uitgenodigd als vijand om gastheer, om heer des huizes te kunnen blijven.
Is dat de ware vraag van Kristofs metafoor: hoeveel vreemdeling verdraagt het Westen anno 2016? Anne Frank zat ondergedoken als jonge vrouw met literaire aspiraties, maar zij stierf als vreemdeling, als Jodin, in het kamp, omdat er voor haar geen plek was in Europa. Omdat er voor haar geen plek was, denk aan de brief van haar vader, op deze wereld.
Hoeveel gastvrijheid kunnen wij opbrengen?
Weinig vermoedelijk als men blijft geloven dat de vreemdeling uit is op werelddominantie.

3)
In zijn colleges over gastvrijheid verwijst de Franse filosoof Jacques Derrida nadrukkelijk naar deze bekende tekst van Kant: ‘Definitieve artikel voor de eeuwige vrede. Het burgerrecht moet zich beperken tot de voorwaarde voor een universele gastvrijheid.’
Derrida erkent de spanning die noodzakelijkerwijs zal bestaan tussen gastheer en gast, tussen de vreemdeling en hij die denkt dat niet te zijn. De categorische imperatief van Kant die oproept tot universele gastvrijheid, die vaststelt dat geen enkel met rede behept wezen meer recht heeft op een stukje van deze aarde dan een ander stuit op de noodzakelijke corrumpeerbaarheid van meer praktische wetten. De universele wet valt uiteen in wetten die soms op gespannen voet staan met die universele wet.
Derrida plaatst het gebod tot universele gastvrijheid tegenover een andere tekst van Kant, over de vraag of je mag liegen, Über ein vermeintes Recht aus Menschenliebe zu lügen. Dat gebeurt aan de hand van het bijbelse verhaal over Lot. Lot, zelf een vreemdeling, ontvangt gasten. Mannen van Sodom wensen deze gasten uitgeleverd te zien om hen te penetreren – met de komst van de vreemdeling komen zoals gezegd de seksuele angsten en verlangens los – maar in plaats van deze gasten uit te leveren biedt Lot de mannen zijn twee maagdelijke dochters aan.
De universele wet van de gastvrijheid, hier genoemd de abrahamitische gastvrijheid, dwingt Lot zijn gasten te beschermen ten koste van zijn dochters, tegenwoordig een voor veel mensen absurde en allicht ook immorele keuze.
Het andere verhaal staat in Richteren. Over een vreemdeling uit Efraïm, een Leviet, die in Gibea belandt en onderdak vindt bij een oude man, waarop misdadige lieden uit Gibea het huis omsingelen om de vreemdeling te penetreren. De oude man zegt dat zoiets slecht en schandelijks niet met de gast mag worden gedaan. Hij biedt de lieden zijn ongetrouwde dochter en de vrouw van de vreemdeling, maar de lieden nemen geen genoegen met dit aanbod. Zij willen de vreemdeling zelf. Daarop duwt de Leviet zijn eigen vrouw naar buiten, die volgens de Bijbel de hele nacht door wordt verkracht.
De volgende ochtend vindt de Leviet zijn vrouw – het is een bijvrouw, maar dat is een detail – levenloos voor de deur van zijn gastheer. Er staat althans dat hij geen antwoord kreeg toen hij tegen haar zei dat ze gingen vertrekken. Thuisgekomen snijdt de man het lijk van zijn vrouw in twaalf stukken en stuurt die stukken rond in het hele gebied van Israël. Iedereen die die stukken zag zei: ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien. (…) Hierover moeten we met elkaar overleggen.’
In beide gevallen wordt er niet gelogen om de gast te redden, in beide gevallen worden vrouwen geofferd om te voorkomen dat mannen, vreemdelingen, gepenetreerd worden.
In beide gevallen werpt de anekdote de vraag op: welke verplichtingen heeft de gastheer tegenover zijn gasten? En wat betekent het eigenlijk om een vreemdeling te zijn? Wat is het wezen van de gastvrijheid?
Derrida geef een aantal antwoorden. Een vreemdeling is iemand die vragen moet beantwoorden. Wie ben je? Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Maar de vreemdeling is ook iemand die vragen stelt.
Altijd wordt om uitlevering van de vreemdeling gevraagd. Wat moet de gastheer doen om de vreemdeling te beschermen? Niet liegen, zegt Kant. En verwijzend naar Levinas zegt Derrida dat het wezen van taal vriendschap en gastvrijheid is.
Derrida eindigt dit college over gastvrijheid met de vragen: ‘Zijn wij de erfgenamen van deze traditie van de wetten van de gastvrijheid? En in hoeverre zijn wij dat? Wat is de constante, zo die al bestaat, in deze logica en in deze verhalen?’
De seksualiteit uiteraard.
De verhouding tussen gastheer en gast beschrijft Derrida als die tussen gijzelaar en gegijzelde. Het is onduidelijk wie wie gegijzeld houdt, omdat er wederzijdse afhankelijkheid bestaat; de gastheer blijkt zijn gast net zo nodig te hebben als de gast zijn gastheer, al was het maar omdat de gastheer alleen maar gastheer is dankzij de gast.
Het gegeven dat er altijd weer om uitlevering van de gast wordt gevraagd.
Ook bericht Derrida over de vreemdeling als redder, de vreemdeling die zich, zie Oedipus, opwerpt als redder van de stadsstaat.
Je kunt uiteraard niet over Anne Frank spreken, de vreemdeling met wie deze lezing begon, zonder te verwijzen naar haar nog altijd onbekende verrader of verraadster, naar degene die haar en de andere onderduikers van het Achterhuis uitleverde. Is dat wat Kristof bedoelde? Dat wij niet gastvrij zijn omdat wij onze gasten niet beschermen?
Bovenal lijkt me, dat als wij erfgenamen zijn van een traditie – en wij beweren dat te zijn, wij beroepen ons voortdurend op de joods-christelijke traditie, dat is de abrahamitische traditie, dat is Kant, en dat is ook de Griekse mythologie waarnaar Derrida uitvoerig verwijst – dat wij de vreemdeling als zodanig moeten aanvaarden.
Dat de vreemdeling zich onzichtbaar moet maken, is geen gastvrijheid. Wat is gastvrijheid als de vreemdeling niet langer vreemd mag blijven maar moet opgaan in de massa, moet veinzen dat hij er altijd al was? De geschiedenis heeft nu juist geleerd, of beter gezegd zou hebben kunnen leren, dat te gretige, al dan niet afgedwongen assimilatie een heilloze weg is; het zionisme was het antwoord op het echec van de assimilatie, het antwoord van de vreemdeling die dacht geen vreemdeling meer te zijn tot zijn omgeving hem van die illusie beroofde.
Kant stelt dat de gast zich aan de wetten moet houden, maar nergens stelt hij dat de gast zich moet vermommen en moet doen alsof hij een zoon of dochter is van de gastheer.
Ik kan het anders en korter zeggen: een Europa waar geen plaats is voor de vreemdeling zal uiteindelijk een Europa zijn waar geen plaats is voor mensen. Dát zou de werelddominantie van het barbarendom betekenen.
Wij hebben de in stukken gesneden resten van de lijken gezien, maar hebben wij ook gezegd: ‘Zoiets hebben we nooit gezien. Hierover moeten we overleggen.’?
Of hebben we alles al gezien?
Een studente van Derrida, Anne Dufourmantelle, zegt het in haar nawoord bij de colleges over gastvrijheid poëtischer: ‘Er bestaat geen andere waarheid dan die van een poolvos in de sneeuw, die alleen door zijn bewegingen wordt verraden en door zijn sporen benoemd.’
Dat hebben wij die al dan niet terecht geen vreemdeling denken te zijn hoe dan ook met hem gemeen: onze bewegingen verraden ons, door onze sporen worden wij benoemd.

©Bob Bronshoff




Bel me terug Stel een vraag